9789491618109_fcovr Van de blog van Aaltje is nu een boek uitgegeven met de titel “Alles gaat altijd weer voorbij”. Voor meer informatie over het boek of om het boek te bestellen, zie de site van Astoria Uitgeverij

De redactie van Olijfschrift heeft het voorwoord geschreven:

Begin 2010 werden wij, de redactie van het blad Olijfschrift (een uitgave van Stichting Olijf, netwerk van vrouwen met gynaecologisch kanker) geattendeerd op het bestaan van het weblog van Aaltje van Eunen. Aaltje had borstkanker gehad en bleek nu eierstokkanker te hebben. Om haar dierbaren te informeren was ze een blog gestart; zoveel makkelijker dan bellen en mailen!

Nu krijgen we wel vaker dit soort berichten en in eerste instantie deden we er niet veel mee. Er verschijnen namelijk best wel wat blogs en boeken en niet iedere blog of boek is interessant voor derden. Na een poosje echter, werden we via een ander kanaal ook geattendeerd op het bestaan van Aaltjes blog. Reden om het toch maar te gaan lezen.

Ieder van ons werd gegrepen door de toon van het blog. Het is geen klaagzang en geen verslag van een ziekte. Het blog is veel meer een persoonlijk ‘Dagboek van het Leven van Aaltje’. Want leven doet ze. Ze geniet van haar man Herman, hun kinderen en kleinkinderen, hun huis, haar beste vriendinnen, vakanties, feestjes, kortom: van het leven. In haar blog doet ze verslag van dat leven en tussendoor schrijft ze ook over haar ziekte en alles wat daarbij komt kijken: de ziekenhuisopnames, de relaties met artsen, verpleegkundigen en andere hulpverleners; voor ons allemaal heel herkenbaar. Ze schrijft over haar kleinkinderen maar ook over de lichamelijke ongemakken die het ziek zijn met zich meebrengt. Ze schrijft over Herman maar ook over het kabinet dat tijdens haar ziekteperiode valt.

Omdat Aaltje de dingen zo mooi verwoordde, vroegen we toestemming om één van haar schrijfsels te mogen plaatsen in het Olijfschrift. Dat mocht. Het werd ‘Duiven’, het blog van 28 april 2010. Daarin vertelt Aaltje dat ze zich niet lekker voelt, wakker ligt en zich door de duiven op het dak laat afleiden. Helaas, er zit een zieke duif tussen, meent ze aan het schorre gekoer te kunnen horen. Een parel van een stukje, tussen de vele parels.

Aaltje hoort in juni 2010 dat de eierstokkanker niet te genezen is. Er zijn weer uitzaaiingen geconstateerd en de artsen geven aan dat ze wel de pijn kunnen bestrijden maar haar niet meer beter kunnen maken. Ze maakt haar lezers op een mooie manier deelgenoot van het proces, dat die mededeling op gang brengt. Ook Herman schrijft zo af en toe een stukje, zodat soms ook zijn kant van het verhaal belicht wordt. Want kanker heb je niet alleen, kanker heb je samen. En ook Herman weet het mooi te verwoorden.

Doordat het blog zoveel in zich heeft – leven, angst, humor, relativering – is het een heel lezenswaardig blog. Een ontroerend blog ook. Daarom zijn we heel blij dat Herman en de kinderen hebben besloten het blog als een boek uit te geven.

Het blog – en nu dus het boek – kan steun bieden aan vrouwen met gynaecologische kanker, maar kan ook voor anderen waardevol zijn. Jammer, dat er door het overlijden van Aaltje een eind aan haar verhalen kwam.

De redactie van Olijfschrift

Margriet Boonstra

Baaike Brand

Rixt Jensma

Samira van den Oever Buitendijk

Ik was van plan om over de gedeurtenissen van gisteren te vertellen: de kerkdienst, de begrafenis en de bijeenkomst daarna in het gebouw naast de kerk.  Ik heb, bij nader inzien, goede redenen om mijn oorspronkelijke plan te laten varen.  Elke beschrijving zou te kort doen aan wat  onze kinderen en ik en  vele anderen gisteren hebben beleefd.  Ik volsta met te herhalen dat het voor mij de mooiste en ontroerendste uitvaart was uit mijn hele leven.

Iets heel anders:  ik heb me afgevraagd  wat ik nu het meeste mis.  Ik vermoed het volgende.  Ik kon met Aaltje op bijna elk moment van de dag mijn gedachten en gevoelens delen.  Nu blijf ik er in m’n eentje mee rondlopen. Zou dat ooit wennen?  En ik heb dan nog het grote geluk dat Aaltje en ik vier kinderen hebben (ik blijf ónze kinderen  zeggen) die bovendien dichtbij wonen en intens met mij meeleven. En ik met hen.  Hoe zouden mensen dat doen die alleenstaand zijn en  nauwelijks mensen hebben met wie ze de gewone belevenissen van de dag kunnen delen?   Ik moet nog veel leren als jonge weduwnaar.

Dit was mijn laatste bericht op deze blog.  Althans dat neem ik mij voor. Maar een mens is veranderlijk en ook ik ben een mens.

Ik geef mezelf nog enig respijt. Zoals aangekondigd was ik van plan de blog uiterlijk vandaag af te sluiten. En vanaf morgen niet meer elke dag te bekijken of er reacties zijn.

Ik ben – gelukkig – nog niet toe kunnen komen aan het vertellen over de dag van gisteren. En het ziet er nu naar uit dat ik daar in de loop van vandaag ook niet meer aan toe zal komen. Vandaar dus dat respijt.

Wel wil ik jullie alvast vertellen dat het de mooiste en ontroerendste uitvaartviering en begrafenis is uit mijn hele,  lange leven. Speciaal voor deze plechtigheid was een nichtje, mijn petekind, uit Londen ingevlogen. Jammer dat ik haar maar even heb kunnen spreken.  Ik zie ernaar uit bij haar en haar gezin te logeren.

Ik heb vele andere uitnodigingen gehad.  Dat kan wat mij betreft niet vrijblijvend. Als je me uitnodigt heb je een grote kans dat ik ooit bij je op de stoep sta (niet zonder eerst mijn komst aangekondigd te hebben). Jullie zijn dus gewaarschuwd!

Ik moet natuurlijk ook nog erg wennen aan mijn gloednieuwe burgerlijke status: weduwnaar.  Inderdaad, erg naar.

 Dit verhaal over Aaltje en mij heb ik voorgelezen tijdens de uitvaartdienst.

Dit is leven”

Het gebeurde op 2 januari 1961, tegen de avond. Het was al donker. Ik was  net aangekomen bij de Volkshogeschool Geerlingshof  in het Zuid-Limburgse Valkenburg.  Vol verwachting was ik daar naartoe gereden. Ik was heel benieuwd met welke jongeren ik daar een hele week zou doorbrengen. Ik verwachtte een week vol gelovige bezinning, met veel  cultuur,  maar ook met ontspanning. De vormingsweek was georganiseerd voor lezers van een tijdschrift voor katholieke jongeren.

Ik liep de grote ontvangstkamer in en raakte meteen in gesprek met een pienter uit haar ogen kijkend meisje met een lieve en prettige stem. Op haar vraag wat ik zoal deed vertelde ik dat ik op een avondschool zat. Daar haakte ze onmiddellijk op in: :”oh wat toevallig” zei ze, “ik ook!” Heel spontaan en direct. Heel anders dan veel meisjes in die tijd. Die waren schroomvallig tegen wildvreemde mannen. Aaltje niet, zelfs helemaal niet. Het ijs was gebroken, er sprong meteen een vonkje over.  We hadden al iets gemeenschappelijks. Dat voelde meteen goed. Dat gevoel werd in de loop van de week alleen maar sterker: waar Aaltje was, daar was het gezellig, daar viel iets te beleven, daar kon je lachen. Maar vooral in gesprekken met de diverse sprekers sprong zij eruit: zij was het die de prikkelende vragen stelde, zij was het die de toon   zette voor interessante discussies. Jong maar dapper, nog maar 18 jaar.

Een van de sprekers was de toen bekende pater Piet Wesseling, die overal volle kerken met jongeren trok. Elke dinsdagavond was hij in het KRO-programma “Dit is leven” te horen.  Hij wilde dat de kerk zich  aanpaste aan de tijd. Aaltje was toen nog maar een paar jaar katholiek. Ze was het  helemaal eens met de grote Piet Wesseling: er moest puin worden geruimd. Het Tweede Vaticaans Concilie moest toen nog beginnen.  Maar  Piet Wesseling en Aaltje waren alvast begonnen met het opruimen van knellende dogma’s en benauwende moraal. Want die dogma’s en die moraal belemmerden het zicht op waar het echt om gaat voor mensen die geloven. Zij wilden volop ruimte en inspiratie is voor menswaardig leven.  “Dit is leven”  schreeuwde Piet Wesseling van de daken.  Jaren later ontmoetten wij Piet Wesseling opnieuw, nota bene hier in Voorschoten. Hij was  één van de degenen die ons bij elkaar had gebracht.   Dat wilden wij  met hem vieren, zowel in de aula als bij ons thuis. “Dit is leven” klonk het opnieuw: een leven door liefde met elkaar verbonden,  en gezegend met vier gezonde en levendige kinderen Mark, Annemieke, Liesbeth en Marijke.

Nog even terug naar 1961, naar Zuid-Limburg. Op het einde van de gezellige en inspirerende  week maakten Aaltje en ik  een lange wandeling door het  Geuldal in de vrieskou en het nachtelijk duister.  Het was midwinter, er was geen roos ontsprongen, maar er was wel af en toe maneschijn.  Deze  lange winterse wandeltocht langs de Geul was het begin van een hele lange tocht, die wij samen maakten in de afgelopen halve eeuw.  Soms met vallen en verwijten, met tij en tegentij, maar steeds weer gingen we samen welgemoed verder. Als pelgrims in den vreemde, niet altijd langs platgetreden paden en over gebaande wegen. Veel vaker gingen we waar geen weg was, steeds reikhalzend uitziend naar nieuwe vergezichten.  

Meteen nadat ik van die week in Geerlingshof thuis was gekomen schreef ik Aaltje een brief.  Was onze afsluiting van die week in Limburg  voor haar slechts een avontuur?  Of was er, zoals voor mij, méér gebeurd dan alleen maar een wandeling in het avonduur? Aaltje liet mijn brief aan haar tweede moeder lezen. Die zei toen: “Kind, huwelijken worden in de hemel gesloten”.  Met andere woorden: laat maar komen wat komt, als Herman en jij voor elkaar zijn bestemd dan komt het wel goed. Maar je moet wel met de genade meewerken. Dat deed Aaltje. De brief die ik toen van haar ontving was meteen raak. Aaltje kan schrijven, dat weet iedereen die haar brieven en haar weblog leest.

Ik wist het zeker: met Aaltje wil ik verder. Al snel daarna wisten we het allebei al zo goed als zeker: wij willen een gezin stichten. Anderhalf jaar lang hadden we een weekendverkering. Elke week schreven we elkaar minstens één brief.  Tijdens onze verkering hebben we hard gewerkt aan onze relatie. We lazen dezelfde boeken, zoals een  baanbrekend boek van  Kees Trimbos. Wij hebben ons intensief, serieus en met overgave voorbereid op ons huwelijk. We wilden allebei dolgraag kinderen, misschien wel zes. Aaltje groeide praktisch  als enig kind op en ik kom uit een gezin van negen kinderen. Ook in andere opzichten waren er grote verschillen: Ik ben grotendeels opgegroeid in een Hanzestadje aan de Gelderse IJssel, Aaltje aan de deftige Keizersgracht aan de voet van de Westertoren. Mijn vader was een  plichtsgetrouwe directeur van het postkantoor, terwijl Aaltjes vader een artistiek beroep had. En een eigen zaak in een statig grachtenpand.  Ik groeide op in een traditioneel en burgerlijk milieu, Aaltje in het bruisende hart van  de Amsterdamse grachtengordel. Met een uitbundig uitgaansleven. Je zou het  een multiculturele echtverbintenis kunnen noemen.  Die soms grote culturele verschillen maakten het niet altijd makkelijk. Maar we werden daardoor ook  uitgedaagd en verrijkt. 

De eerste jaren van ons huwelijk  stonden sterk in het teken van het krijgen van kinderen. Zij zijn in letterlijke zin de belichamingen van ons verlangen naar liefdevolle verbondenheid en gezelligheid.Wij hadden toen een traditionele  rolverdeling: Aaltje huisvrouw en ik kostwinner.  Aaltje stond er vaak alleen voor, ik moest  de kost verdienen en studeren om hogerop te komen.  Na verloop van tijd begon dat bij Aaltje behoorlijk te wringen: alleen huisvrouw zijn legde haar te veel beperkingen op.  Zij ging weer naar school en werkte jaren als maatschappelijk werkster.

Ik ga afsluiten. Niet omdat mijn verhaal uit is,  maar omdat mijn tijd om is. Alleen nog dit. Andere mensen kruipen bij een ernstige ziekte en het vooruitzicht van een spoedig sterven in hun schulp. Maar Aaltje niet: zij kon door haar openheid en  lichtvoetigheid  veel lichtheid aan haar bestaan geven. En daardoor ook lichtheid aan het bestaan van mij,  van onze kinderen en aan dat van vele  andere mensen.

Dit is leven in wijsheid. Dit is tastbare levenswijsheid.  Dit is leven.

De onderstaande tekst heb ik vandaag in de kerk voorgelezen met daarin verwerkt de wijze les die Aaltje ons in haar laatste uren gaf:

Mijn moeder was een kleurrijk mens

Eerst was zij als een kameleon

Ze nam de kleur aan van anderen

Haar eigen kleuren vond ze niet mooi genoeg

De mensen waren tevreden

Mijn moeder voldeed aan de verwachtingen

Maar Aaltje was niet gelukkig

Ze miste de kleuren die ze verborgen hield

Die werden dof

Toen ze dat besefte, durfde ze steeds meer van zichzelf te laten zien

Haar kleuren kwamen in het licht en werden mooier en mooier, met meer glans

Aaltje mocht gezien worden, in al haar geuren en kleuren

Haar wijze les aan ons:

Zet je eigen kleuren in het licht en laat ze stralen

Vandaag wordt ze de aarde, Moeder Aarde

De Aarde zal stralen in al haar geuren en kleuren.

Nu Aaltje is overleden ga ik haar blog afsluiten. Ik zal morgen of overmorgen mijn laatste bericht op de weblog plaatsen.  Dan zal ik jullie vertellen over de dag waarop Aaltje werd begraven.  

Ik zal zelf ook niet meer na aanstaande maandag naar de weblog kijken, en dus niet meer reageren op reacties van  ‘bezoekers’.  Dus als je nog via de blog wilt reageren, doe het dan snel.

Tot gauw,  

Herman

“Over de doden niets dan goeds”  is een reactie die heel typerend is voor Aaltje.  Als haar lof werd toegezwaaid, dan vertrouwde zij de oprechtheid daarvan alleen als die ook gepaard ging met wat minder vleiende opmerkingen.  Aaltje wilde zich niet de hemel in laten prijzen, terwijl ik dat nu juist wél wil. Ik bedoel, Aaltje zo hoog mogelijk de hemel inprijzen.     

Over alles wat er in de afgelopen halve eeuw tussen ons aan pijn en verdriet is geweest hebben we gepraat en hebben we ons met elkaar – en daardoor ook met onszelf – verzoend.

Typerend voor Aaltjes argwaan als zij weer eens flink in het zonnetje werd gezet was altijd dat zij je pas serieus nam als je ook gewoon vertelde wat je aan haar niet beviel.  De meeste mensen willen dat absoluut niet over zichzelf horen.  Soms waren mensen bang voor Aaltje, een enkele keer kon ze in discussies  fel uit de hoek komen. Zoals ik al eerder schreef: niet om te confronteren maar als noodzakelijke weg om te komen tot wat echt belangrijk is.

Voor mensen die in de komende dagen iets over Aaltje tegen mij of in het openbaar willen gaan zeggen, zou ik willen zeggen:  prijs haar alsjeblieft de hemel in. En over wat je in de toekomst over haar ooit zal gaan zeggen, bedenk dat Aaltje zelf verwacht dat zij vanuit haar huidige bestaanswijze heel mild over jou en mij zal oordelen. Als  zij überhaupt al zal oordelen.  Want als je echt álles weet en álles begrijpt dan kun je ook alles vergeven.  

Mensen die het beter kunnen weten dan ik beweren dat  “Over de doden niets dan goeds”  een onjuiste vertaling is van een heel oud Latijns adagium: De mortuis nil nisi bene. De juiste vertaling zou zijn: Over de doden moet er goed (op een juiste manier) worden gesproken. Over doden moet de hele  waarheid worden gesproken, en dus niet alleen de positieve kant ervan. Zo gezien houdt Aaltje zich precies aan de oorspronkelijke bedoeling van dit adagium. (Alléén voor fijnproevers: bij de vertaling is een bijwoord aangezien voor een bijvoeglijk naamwoord.)

Vanmorgen wordt Aaltje gekist. Ik zal daar zéker niet bij zijn. Ik neem mijn toevlucht tot vrienden hier dichtbij die mij met open armen als vluchteling zullen ontvangen. Heel lieve mensen zijn dat, die zich – God zij dank – helemaal niets aantrekken van het zich verhardende politieke klimaat van uitsluiting en afwijzing van mensen die een beroep op ons doen omdat zij op de vlucht zijn. Vandaag zal ik dus een tijdje voortvluchtig zijn.

Een kleine aanvulling op het bericht “Afscheid”:  ik bedoelde onze vier kleine kleinkinderen tussen acht en vier jaar. Dat heb ik inmiddels gecorrigeerd.

Iedereen uit mijn omgeving die de laatste tijd bij Aaltje op bezoek is geweest is er stellig van overtuigd:  Aaltje heeft op een voorbeeldige en bewonderenswaardige wijze de gevolgen van haar ernstige ziekte  aanvaard en verwerkt. Haar eigen dood  heeft zij niet echt als een probleem ervaren. Ze was er altijd al van overtuigd dat zij niet oud zou worden.  Doordat wij zo jong zijn getrouwd heeft zij, ondanks haar relatief jonge leeftijd, al haar kleinkinderen nog jaren meegemaakt. 

Vanzelfsprekend was ze erg begaan met ons die achter zouden blijven.  Ze voelde zich zelfs schuldig over het intense verdriet dat zij ons zou aandoen.  Ik heb natuurlijk geprobeerd om haar ervan te overtuigen dat niet zijzelf maar de ziekte de oorzaak was van ons verdriet.  Maar of mij dat echt is gelukt?  Aaltje beschikte namelijk over het vermogen zich schuldig te voelen, ook als daar volgens mij helemaal geen aanleiding toe was.

Deze blog wordt vele keren per dag bezocht, soms meer dan 850 keer !  Ik kom uit een hele grote familie, we hebben veel vrienden en kennissen, maar ik weet ook dat de blog wordt gelezen door mensen die wij niet kennen.  Maar zij kennen ons wel een beetje, alleen via onze berichten op de blog.  Dat zo’n  digitaal contact toch tot een vorm van verbondenheid kan leiden blijkt bijvoorbeeld uit de volgende reactie van één van onze vaste lezeressen: ‘Ook ik mis Aaltje, moet je nagaan!’

Deze digitale verbondenheid overschrijdt ook onze landsgrenzen.  Goede vrienden in verschillende steden in Duitsland volgen de blog,  waarbij taalgrenzen geen onoverkomelijk probleem schijnen te zijn. 

Vanmiddag kwamen weer veel mensen om afscheid van Aaltje te nemen. Die verzekerden mij ervan dat Aaltje er nog steeds ‘mooi’  uitziet.   Voor mij persoonlijk is het vele malen belangrijker dat ik samen met mensen mijn verdriet en het pijnlijke gemis kan delen.   Gedeelde smart is halve smart.

Het lukt mij steeds beter om allerlei  zaken  rond de begrafenis (dat zijn er vele) uit handen te geven en toe te vertrouwen aan mijn kinderen en Margo.  Die zaken zijn bij hen namelijk in  uitstekende handen. Dat kan geen toeval zijn: zó hebben we onze kinderen immers opgevoed en dáárom is Margo onze beste vriendin (en om tal van andere redenen natuurlijk).

Aaltje ligt er mooi bij. Zeggen ze, de vele mensen die in de loop van de middag en vooral gisteravond ‘afscheid’ van Aaltje zijn komen nemen.

Het was een mooie ervaring: mensen  die elkaar niet kennen  en dus vreemden zijn voor elkaar, afkomstig zijn uit verschillende geledingen van de plaatselijke samenleving, familieleden van Aaltje en van mij uit andere delen van het land;   zij ontmoetten elkaar hier en raakten met elkaar in gesprek.    Want er is  natuurlijk wél iets wat ze bindt: de wens om afscheid van Aaltje te nemen.  En mijn kinderen en mij te omarmen, te troosten, sterkte toe te wensen.   

De afgelopen dagen hebben ook mijn kleine kleinkinderen afscheid van hun oma genomen.  De oudste is acht, de jongste vier. Mijn dochters vertelden mij dan hoe dat was geweest, hoe hun kinderen hadden gereageerd toen zij Aaltje opgebaard zagen liggen.  Ik was daar, jammer genoeg, niet bij.  De herinnering aan Aaltje wil ik levend houden door mij haar voor ogen te houden hoe ze eruit zag en wat ik aan haar beleefde toen zij nog leefde.  

Vanmorgen hebben we weer een gesprek met de pastor om de uitvaartdienst verder voor te bereiden. Veel is al voorbereid, vooral door Aaltje zelf.  Haar keuze van de lezingen en de liederen heeft zij, met de voor haar typerende, creatieve interpretatievrijheid,  heel helder  toegelicht.  We hebben ruime mogelijkheden voor een geheel eigen invulling. Omdat Aaltje dat wilde  zal  een ‘koor’,  dat speciaal voor deze gelegenheid is samengesteld uit leden van een – inmiddels opgeheven – plaatselijke basisgroep,  optreden als ‘voorzangers’.  In de hoop dat vele andere mensen mee zullen willen zingen. Vriendinnen van Aaltje zullen haar naar laatste rustplaats op aarde begeleiden, aangelokt door het fluitspel van Margo. 

Vanmiddag is er opnieuw een mogelijkheid om afscheid van Aaltje te komen nemen.  Maar in feite  ontvangen we vrijwel onafgebroken familieleden en goede vrienden.  Als wij nog in een bespreking zijn sluipen ze naar binnen en gaan hun eigen gang.

Het is hier dus dagenlang een komen en gaan, met mijn kinderen, Margo en mij als  ‘gastmensen’.   Ik ervaar dat als een warm  bad: veel lieve mensen om mij heen die hun best doen om mij te troosten.

Vanaf aanstaande maandag zal alles weer gewoon zijn, als alle drukte achter de rug is.  Dit dwaze denkbeeld doemde in mij op.  De werkelijkheid is natuurlijk dat mijn werkelijkheid vanaf aanstaande maandag juist totaal  anders zal zijn. En blijven.  Ons huis dat zo vertrouwd en behaaglijk aanvoelde zal leeg zijn.  Er zal, als ik er alleen zal zijn, een doodse stilte heersen.  Ik zal tevergeefs op Aaltjes thuiskomst wachten.  Nooit meer zal ze mij omhelzen als ik thuiskom, nooit meer…..

De laatste weken spookt het door mijn hoofd:  “Partir, c’est mourir un peu.”    Vertrekken, afscheid nemen, dat is een beetje doodgaan.  Moet je je voorstellen wat het betekent als je van iemand voorgoed afscheid hebt moeten nemen…………

Ik moet alsmaar huilen.