Mijn moeder stierf aan trombose toen ze vijftig was. Ik was toen vijftien. Mijn zus Nettie, die inmiddels ook overleden is, zei eens tegen me: “Mamma was lui”. Ik had dat nooit zo bekeken maar een feit was dat mijn moeder niet veel deed. Als het even kon was er huishoudelijke hulp, de was ging de deur uit, veel leveranciers kwamen aan de deur en wij werden om de rest van de boodschappen gestuurd. Het overheersende beeld dat ik van mijn moeder heb is zittend. Zittend met koffie en een sigaret. In de namiddag met een borrel en een sigaret. Een boek lezend met een sigaret. Naar de radio luisterend met een sigaret. Ze rookte ja en ik denk wel veel. Ze was er dus bijna altijd, zittend en rokend. In Amsterdam aan de Keizersgracht en de laatste jaren zomers aan het Kinselmeer in het zomerhuisje. Er waren drie afstanden waarvan ik weet dat ze die liep; af en toe naar haar moeder op de Marnixkade, naar het stamcafé op de Rozengracht waar ze hun vrienden ontmoetten en naar de kerk in de Kalverstraat. Dat is niet veel beweging nee………maar om haar nou lui te noemen.

Ik kom er bij omdat ik voel hoe ik mij nu net zo traag beweeg als ik mij van haar herinner. Ik zou wel een eindje kunnen lopen maar ik blijf het liefst in de buurt van huis en bed. Als ik ergens heen moet, rijdt Herman me.  Wat zich aan mij opdringt is dat mijn moeder misschien al veel langer ziek was. Van de moderne vermoeidheidsziekten had nog niemand gehoord, maar die waren er natuurlijk wel.  Onderzoek naar hart- en vaatziekten werd pas gedaan als daar accuut aanleiding toe was.

Mijn moeder had, waardoor dan ook,  een groot gebrek aan energie. Ik herken dat nu van binnenuit.