In de koude winter van 1944/1945 leerde  ik  voedsel kennen als middel om niet dood te gaan.  Dat is sindsdien niet wezenlijk veranderd. Het nuttigen van voedingsingrediënten, zoals eiwitten en koolhydraten, dient immers ter instandhouding van ons lichaam. Toen onze kinderen nog klein waren beheerste mij bij ziektes van Aaltje dan ook vooral de vraag: hoe hou ik ze in leven?   In die dagen leerde ik koken.

Sinds de Bevrijding is er in de wereld om mij heen veel veranderd. Alles wat te maken heeft met voeding is uitgegroeid tot een ware cultus. Vraag iemand hoe zijn of haar vakantie was, of wat hij of zij vond van een feestje, grote kans dat je  een lange opsomming krijgt van wat er te eten en te drinken was.  Bij de voorbereiding van feestjes is dikwijls de bijna alles overheersende vraag: wat zullen we eten en drinken?  De belangrijke vraag naar de betekenis van voeding voor de gezondheid is daardoor op de achtergrond geraakt. Met als gevolg voor velen: overgewicht.  ( Althans op het Noordelijk Halfrond. Doordat mensen op het Zuidelijk Halfrond, gemiddeld genomen, te maken hebben met ondergewicht is het gemiddelde van de mensheid als geheel (als ‘soort’)  op het juiste niveau.  Maar dat terzijde.) 

Na 65 jaren jaren van een zekere onbezorgdheid ten aanzien van de voedselvoorziening (afgezien van de korte ziekteperioden van Aaltje in het verleden) wordt een groot deel van mijn leven nu beheerst door de zorg voor eten en drinken.  Met als complicatie dat de chemotherapie tot smaakverandering en een (soms sterk) verminderde eetlust heeft geleid.  Liesbeth had mij op m’n verjaardag al een kookboek  (‘Ik kook ook’)  gegeven. En onlangs kregen we van haar bovendien een kookboek met recepten, speciaal voor mensen met kanker. Dat laatste boek is met hulp van medische specialisten tot stand gekomen.

De geschiedenis herhaalt zich.  In de Hongerwinter gold voedsel als middel om te overleven, in deze tijden van chemo geldt voedsel opnieuw als middel om in leven te blijven. Door de smaakverandering en de verminderde eetlust worden hoge eisen gesteld aan smaak, variatie en zelfs aan het uiterlijk van het voedsel.  Tot mijn dagelijkse voedingscyclus hoort een moment van bezinning: wát zullen we eten? Waar heeft Aaltje zin in? Wat is juist nú goed voor haar?  Schijnbaar triviale vragen, maar bezien in het licht van haar ziekte zijn het belangrijke levensvragen.

Ik doe vrijwel dagelijks boodschappen voor de drie maaltijden en voor het fruithapje in de namiddag. Met de genoemde kookboeken als hulp bij het samenstellen van een lijstje.  Allengs ontwikkel ik meer interesse voor en zelfs een zekere affiniteit met de voedselbereiding. Ook dringt het besef bij mij door dat het bij ‘eten’  gaat om méér dan het nuttigen van voedingsingrediënten. Als kok heb ik een late roeping, maar een keukenprinses zal ik nooit worden.