“Waarom moet mij dit treffen?”. Dat hoor ik soms van mensen die getroffen zijn door iets ernstigs.  Nu mij de ernstige ziekte van Aaltje treft rijst bij mij de vraag hoe dat bij mij zit.  Na enig nadenken heb ik de neiging me precies het omgekeerde af te vragen. Waar heb ik het aan te danken dat ik telkens blijk te horen tot dát deel van de mensheid dat aan de goede kant van de streep zit?  In mondiaal opzicht behoor ik immers  tot degenen die zeer bevoorrecht zijn: ik ben blank, man, hetero, hoogopgeleid, ‘rijk’,  ideaal gehuisvest, gezond, lang en gelukkig getrouwd, vader en schoonvader van gezonde kinderen, opa van gezonde kleinkinderen, broer van acht gezonde Geschwister, gezegend met 70 gezonde jaren, en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.    

Ja, en nu dus wél iets ernstigs: kanker bij Aaltje, en dat terwijl we samen heel oud willen worden.  Maar ook in verband hiermee schijn ik, gegeven het feit van de ziekte, te behoren tot degenen die beschikken over voldoende veerkracht (of moet ik zeggen draagkracht,  weerbaarheid of incasseringsvermogen?)  om het kruis te dragen.  Dat zijn precies ook de vermogens die mij in staat stellen om mij elke avond, met voldoening terugkijkend op een lange dag van intensief mantelzorgen (vooral voorzien in voedsel en schoonmaken)  te ruste te leggen in de echtelijke sponde, terwijl ik donders goed weet dat op een afstand van 4   of  5 uren vliegen die dag  mensen zijn doodgegaan doordat zij geen of onvoldoende voedsel hadden.  Of door het ontbreken van de meest elementaire gezondheidszorg.  Of door bruut oorlogsgeweld. Mijn  zgn ‘veerkracht’ stelt mij in staat om te negeren wat onverdraaglijk is.  De wereld doet mij denken aan een vertelling van Belcampo: een zwaargewonde reiziger komt bij kennis in een onbekend, paradijselijk dorp in een ver,  tropisch land, waar bij liefdevol wordt verpleegd door een plaatselijke schone. De dorpelingen bejegenen hem met  warme sympathie. Pas na geruime tijd, nadat hij weer opgeknapt is,  komt voor hem de ontgoocheling: hij ontdekt dat de ‘ideale’  dorpsgemeenschap  zichzelf in stand houdt door passerende reizigers te beroven en te doden.  Deze vertelling zie ik als de metafoor voor de mondiale verhoudingen, met (West) Europa als ‘ideale’ dorpsgemeenschap.   Wanneer zal de vulkaan waarop wij dansen tot uitbarsting komen?  Ik zet mij op een zeer bescheiden schaal in voor de vrede. En verder koop ik als ’t even kan producten met het logo ‘eerlijke handel’.  Het is niet mijn eigen verdienste dat ik behoor, en zolang de vulkaan niet tot uitbarsting komt,  zal blijven behoren, tot het zeer bevoorrechte deel van de mensheid, ondanks Aaltjes ziekte.