Volkskrantcolumniste en collega jurist-filosoof Marjolijn Februari citeerde onlangs met instemming  de volgende bewering:  “Managers van zorginstellingen gedragen zich als pornobazen:  gefocust op snel veel geld verdienen, met weinig consideratie voor de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd.”  Intuïtief riep dat citaat bij mij enig verzet op:  zó erg is het toch ook weer niet.  Ik zie me evenwel genoodzaakt mijn verzet op te geven. Slechts twee feiten uit een lange reeks:

1. In Twente hielden én de Raad van Bestuur van een ziekenhuis, én de inspecteur van de Volksgezondheid én de dienstdoende Officier van Justitie van het Openbaar Ministerie de hand boven het hoofd van een zwendelaar, die moedwillig  verkeerde en vreselijke diagnoses vaststelde over een reeks van jaren bij naar schatting rond de honderd patiënten, met als abjecte drijfveer: het verkrijgen van verdovende middelen voor eigen gebruik.  Nadat die hand boven dat hoofd was teruggetrokken kon de specialist stilletjes vertrekken  om ‘reputatieschade’  voor hem (en voor het ziekenhuis) te voorkómen, zodat hij elders zijn criminele praktijken ongestoord kon voortzetten.  Het ziekenhuis waar Aaltje nu  met zorg wordt omgeringd en liefdevol wordt bejegend functioneert binnen hetzelfde bestel: dezelfde wetgeving die de rechten en verplichtingen van specialisten en ziekenhuisbesturen bepalen, dezelfde inspectie voor de volksgezondheid en hetzelfde Openbaar Ministerie. En dan zwijg ik nog maar over de medische tuchtrechtspraak, of wat daarvoor moet doorgaan.  Er is moed voor nodig om je aan zo’n bestel uit te leveren.

2. Het tweede is van een totaal andere orde.  De afgelopen dagen was ik  in ‘ons’  ziekenhuis  en in een andere instelling voor volksgezondheid.  Er was een treffende overeenkomst: het lage niveau van het aanbod van lectuur voor de  geduldig wachtende patiënten en hun begeleiders.   Een substantieel deel van de tijd die een patiënt in een ziekenhuis verblijft bestaat uit geduldig wachten,  voor de begeleiders ligt dat aandeel een stuk hoger.  Een uitgelezen kans, zou je denken, voor een zorginstelling voor het starten en voeren van een beschavingsoffensief.  Maar in allerlei wachtruimten liggen tijdschriften van het type, dat ik vroeger alleen bij de kapper aantrof, toen je nog op je beurt moest wachten.  In het ziekenhuis is, verbonden aan het (uitstekende) restaurant, een winkeltje waarin ook tijdschriften te koop worden aangeboden. Van  hetzelfde, bedenkelijk lage niveau, tot en met de Playboy. Wat zou ik doen?   Al die tijdschriften wegkieperen, en daarvoor in de plaats bij voorbeeld   de complete werken van Arthur Schopenhauer neerzetten.  De enige concessie waartoe ik wel bereid zou zijn is dat het een Nederlandse vertaling mag zijn, voorzien van verklarende voetnoten.  Ik verwacht dat mij dan zal worden tegengeworpen dat mensen nu eenmaal graag die omstreden tijdschriften willen lezen, en dat het goed verkoopt. Ja, dat wil ik graag geloven. Zie het citaat waar Marjolijn Februari naar verwees.  Het lijkt mij voor de (geestelijke)  volksgezondheid altijd nog beter dat ‘wachtenden’  niets  lezen en dus wel moeten nadenken, dan dat zij van wezenlijke vragen worden afgeleid door ondermaatse lectuur.