Bezig zijn met een praktische kant van overlijden, het regelen van een graf en de verzekering nog eens nakijken, is natuurlijk maar één kant van doodgaan.

Het moeilijkste is dat je mensen achter laat die verdriet hebben. Waarvoor het in meer of mindere mate moeilijk is om hun leven weer vorm te geven zonder mij. Ik heb het vaak genoeg meegemaakt in mijn nabije omgeving om te weten dat na korte of langere tijd dat ook wel weer lukt. Dat deel is moeilijk, daar wil ik het nu niet over hebben.

De ziekte die ik heb is er een waar je aan dood gaat. Ik hoop dat dat nog lang duurt, maar ik denk daar natuurlijk wel over na.

Ik ben, zoals bijna iedereen, bang voor lijden en pijn. Daar zijn allerlei oplossingen voor, maar helemaal zonder gaat het niet en dat maakt me soms angstig voor wat me te wachten staat. Ik ben ook gewoon bang voor de operatie over twee weken.

Ik ben niet bang om dood te gaan. Er zijn grofweg twee mogelijkheden: – het houdt echt helemaal op en er is dus niets meer of – het leven gaat door op een andere manier. Ik geloof niet in de eerste mogelijkheid,  maar als het wel zo is, heb ik daar ook geen last van.

Ik geloof dus dat het doorgaat. Als ik het kort probeer samen te vatten geloof ik dat ik er altijd al was en ook altijd zal blijven. Alleen de vorm verandert. Mijn bewustzijn, mijn ziel of mijn hogere zelf (hoe je het wilt noemen doet er niet toe) maakt deel uit van het oneindige. Dit materiële leven belemmert het zicht daarop nogal eens. Alle religies zijn volgens mij pogingen om mensen bewust te maken van dat oneindige geheel. Vaak verworden die religies weer tot belemmerende strukturen, net zo moeizaam als het hele aardse bestaan. Stilte, meditatie, muziek, natuur en veel oude sacrale plekken, kunnen mij terug brengen bij het besef van eenheid. Ziek zijn helpt ook. Doordat er niet zoveel activiteit is, is er meer ruimte voor zomaar zijn.

Al met al, doodgaan is niet erg. Afscheid nemen wel.