Vandaag precies een week geleden ontmoette ik Trees. We werden dezelfde ochtend, door dezelfde gynaecoloog geopereerd en lagen samen op kamer drie. De oorzaken van onze operaties waren verschillend, maar we hadden wel allebei een grote buikoperatie ondergaan. Dat schept een band. De eerste paar dagen lagen we allebei aan de slangen en konden we ons bed niet uit. Dat gaf een gezellige drukte in onze kamer. We werden een paar keer per dag (en nacht) gecontroleerd op van alles en om de haverklap piepte er een infuus om aandacht. We waren het erover eens dat het wel makkelijk was zo, een door morfine uitgeschakelde buik en een slangetje waardoor de urine vanzelf in een zakje liep. Ik werd als eerste misselijk en voorzien van een stapel bakjes om in te spugen. We hadden alleen nog maar vloeibaar eten gehad, maar dat kwam er bij mij dus weer uit. Trees meldde helemaal niet misselijk te zijn en at een bakje yoghurt leeg. Even later een onmiskenbaar geluid uit het bed naast me en daar kwam de yoghurt weer naar buiten. Het enige dat Trees had staan was het lege yoghurtbakje. Ik belde om hulp maar die bleef uit. Het zag ernaar uit dat het yoghurtbakje niet afdoende zou zijn dus ik probeerde mijn spuugbakjes naar het buurbed te gooien. Dat viel niet mee met een infuus in mijn arm. Alle bakjes kwamen her en der in de kamer terecht,  maar het vijfde belandde op het bed van Trees. Ze kon het nog net op tijd aan de deken naar zich toetrekken. Toen alles achter de rug was, kregen we de slappe lach. Lachen deed zeer, vooral bij Trees omdat haar wond veel groter was dan de mijne. Ik hoorde hoe ze het ’s avonds aan haar bezoek vertelde en zag hoe ze weer haar buik vast moest houden van de pijn. Buikpijn van het lachen, inderdaad.