In het ziekenhuis moet je je gêne maar achter je laten, zeker als je het bed niet uit mag. Ik zei tegen een zuster dat ik over mijn gêne heen geholpen was door de kraamverzorgster die we hadden toen Mark geboren werd. Ik had tegen die kraamverzorgster gezegd dat ik het moeilijk vond om mij zó intiem te laten verzorgen. Haar reactie was: “De ene blote kont of de andere, het maakt mij niet uit”. Dat hielp.

Ik moest lachen om de reactie van de verpleegkundige aan wie ik het vertelde. Ze zei: “Ik onthoud wel eens een rare blote kont, maar dan vergeet ik het gezicht er bij”.  Dat stelt gerust als je eens een zuster in de stad tegen komt, ze heeft òf het een onthouden, òf het ander. Allebei niet kan natuurlijk ook.

Over verpleging gesproken, ik ben heel blij met de wijkverpleegsters die mij ’s morgens en ’s avonds komen verzorgen. Zij beslissen (samen met mij) over de meest logische volgorde en ze weten wat wel of niet goed is. Ik zou zelf met die wonden niet durven douchen. Zij zeggen dat het juist wel goed is om de rug even af te spoelen. Pijn doet de verzorging niet. Ik heb trouwens so wie so niet veel pijn, dat mag ook wel met acht paracetamolletjes per dag. Ik lig nog veel in bed maar het gaat wel goed.