Nog één bericht over mijn verblijf in het ziekenhuis.

Op woensdagochtend was Trees al naar huis vertrokken en was het nog niet duidelijk of ik ook naar huis kon. Als er geen wijkverpleging voor de avond geregeld kon worden, moest ik nog een nacht blijven.

Leeg bed naast me dus. Niet erg lang. Er kwam een meneer binnen van onze leeftijd die zich aan mij voorstelde. Hij zou om één uur geopereerd worden, maar er werd gelijk gezegd dat het allemaal nogal uitliep. Hij moest maar gewoon wachten en zou wel horen wanneer hij zich klaar moest maken voor de OK.

In het gesprek met de verpleegkundige, waar ik getuige van was, bleek al dat hij erg nerveus was. Toen we alleen waren vertelde hij mij van zijn “witte-jassen-vrees”. Hij was al regelmatig onderuit gegaan, na zelfs een eenvoudige prik. Andere gespreksonderwerpen leken dus handiger op dit moment.

Via de bloemen op tafel, kwamen we uitgebreid te praten over zijn en onze tuin. We bleken allebei per camper te reizen en dat was ook een goed onderwerp. Het leukste gespreksonderwerp was onze jeugd in Amsterdam. Hij had gedemonstreerd in 1956 tegen de inval van de communisten in Hongarije. Die spontane demonstratie richtte zich tegen het gebouw Felix Meritis op de Keizersgracht. De politie had een post ingericht in onze winkel. Hij was bij die demonstratie een schoen kwijtgeraakt. Ik zag de ravage op de gracht weer voor me met inderdaad schoenen, stenen en kapotte lantaarns.

Hij was de zoon van een melkboer op het Surinameplein. Ik vertelde dat ik in een gespreksgroep van achttienjarigen zat met een zoon van een melkboer. Ja, wist hij, dat was een grote familie die allemaal melkzaken hadden.

Van Amsterdam naar de ziekte en dood van zijn eerste vrouw en zijn tweede huwelijk met de buurvrouw, die al eerder weduwe was geworden. Kinderen en kleinkinderen kwamen aan bod en de spanning die het samenvoegen van twee gezinnen soms toch opleverde, ook al ging het om volwassenen.

Hij vertelde over het grote bedrijf in serrebouw en dakkapellen dat hij had opgezet en waar hij nu alleen nog op gepaste afstand bij betrokken was. Ik leerde dat de Belgen de beste serrebouwers zijn en dat je voor de materialen in Duitsland moest zijn. Duitse fabrieken die in de oorlog grote ervaring hadden opgedaan, stapten over op het maken van nuttige dingen voor de bouw. Degene die gevechtsvliegtuigen had ontworpen, stapte over op caravanbouw, Eriba. Ervaring in degelijkheid. Dat laatste voorbeeld was mij al bekend. Natuurlijk kwamen ook de gevolgen van de crisis ter sprake en de ontslagen die al waren gevallen.

Nadat we zo’n anderhalf uur met tussenpozen aan de praat waren, kwam de dokter zeggen dat de operatie vandaag niet meer zou lukken. Mijn kamergenoot klaarde helemaal op. Hij ging gelijk regelen dat iemand hem op kwam halen. Het aanbod om in het ziekenhuis te blijven sloeg hij resoluut af:  “Jullie bellen maar als ik weer moet komen”.

Hij at nog een boterham, hij was de hele tijd nuchter geweest, en pakte daarna zijn spullen weer in het koffertje waar nog een heel verhaal over zijn vader aan vast zat.

Toen hij afscheid van me nam kreeg ik een aai over mijn muts. “Bedankt”, zei hij, zonder te zeggen waarvoor.