De laatste dagen gelezen in een boekje van Thich Nhat Hanh, een boeddhistische monnik die zich inzet voor het behoud van de aarde. Het boekje heet: Wat de wereld nodig heeft.

Al lezend drong zich de vergelijking op met mijn lijf en de aarde. Mijn lijf is kapot en vergiftigd en toch voel ik het herstellend vermogen ervan. Het levende zit juist in de voortdurende kringloop van geboorte, bloei en verval. Die twee laatste zinnen lijken een beetje tegenstrijdig. Ik voel herstel en weet dat het uiteindelijk op verval uitdraait. In het grote geheel klopt dat. Zo gaat het met alles dat bestaat. Het gevoel van verbondenheid met het grote geheel geeft rust. De zekerheid van uiteindelijk verval is niet verontrustend. Wat nu aan de orde is, is herstel van de beschadiging. Morgen is er weer gif, daarna weer herstel. Ik vind het indrukwekkend hoe mijn lichaam zich herstelt van de beschadigingen.

Over de aarde maak ik me geen zorgen, die herstelt zich wel weer. De vraag is of wij mensen daar nog getuigen van zullen zijn.  Als ik zie hoe moeilijk het al in het klein is om mij als verantwoordelijk wereldburger te gedragen, hoe komt de grote verandering dan ooit tot stand? Pijnlijke ingrepen moeten worden genomen. Er moet flink gesneden worden in hoe we gewend zijn te leven. We zullen dat toch voornamelijk zelf moeten doen.

Het moet gebeuren zoals wordt omgesprongen met een lijf met kanker, wegsnijden wat de oorzaak is en de woekerende gevolgen elimineren. Dan doet het herstellend vermogen van het organisme de rest en dát is een wonder. In het groot en in het klein.