Mensen vragen mij de laatste maanden met een zekere regelmaat hoe het met mij gaat.  Ik ben blij met die vraag. Natuurlijk vooral omdat daaruit interesse  voor  en  een zekere  bezorgdheid over mij blijkt. 

Om met dat laatste te beginnen: natuurlijk maak ik me zorgen over hoe het verder met Aaltje zal gaan.  Van de andere kant: prognoses zijn gebaseerd op statistieken, en die zeggen heel weinig over individuen.  Statistisch gezien is mijn eigen prognose niet florissant, want hoeveel jaren heeft een man van zeventig  in ons land gemiddeld nog voor zich?  Eerlijk gezegd houden zulke vragen ons nu niet meer zo bezig.  In het begin, in het voorjaar, lag dat anders.

De vraag naar mijn welbevinden is dus zeer welkom, ook  omdat die mij aanzet tot wat voor de mens van groot belang is, in welke situatie dan ook: zelfreflectie.  Door indringende vragen wordt ik min of meer gedwongen om mij  grondig te bezinnen op mijn doen en laten, en vooral op het waarom  daarvan.  Waarom doe ik het een, en laat ik het ander?  Waarin verschilt mijn manier van leven nu zich van mijn levenswijze van vóór Aaltjes ziekte?   Zo langzamerhand dringt het antwoord op die vragen tot mij door.  Vroeger zag mijn leven er ongeveer zó uit:  bepaalde dingen deden Aaltje en ik samen en daarnaast volgde ik mijn eigen voorkeuren en interesses.  Voor Aaltje gold min of meer hetzelfde, met dien verstande dat zij toen een substantieel deel van de zorg voor onze gemeenschappelijke huishouding voor haar rekening nam. 

Nu is de situatie radicaal anders:  van de vroege ochtend tot de avond ben ik er voor Aaltje. En ik wil  er ook voor haar zijn. Ik offer me niet op, ik doe dat graag.  Voor vrijwel iedereen is dat goed te begrijpen, voor de overigen kan  ik het  vermoedelijk niet  uitleggen.  Alleen als er tijd overblijft kan ik toekomen aan dat wat mijn eigen, persoonlijke interesse heeft. En er blijft, ondanks de zorg voor het voedsel en voor het aan kant houden van het huis, gelukkig nog voldoende tijd over.  Bij voorbeeld om de krant te lezen.

Het verschil met vroeger is méér dan alleen een kwestie van hoeveelheid tijd.  Vroeger kon ik  urenlang ononderbroken ergens intensief mee bezig zijn:  het bestuderen van complexe teksten en het schrijven over ingewikkelde vraagstukken.  Nu kom ik daar veel minder aan toe, omdat ik nu alleen maar de vrije beschikking heb over de stukjes tijd tussen de bedrijven door.  Mijn concentratie op mijn zorgende kerntaak  komt in mindering op mijn vermogen mij intensief   (en  dus langdurig)   te concentreren op andere zaken en taken.   Gelukkig begrijpt men dat én heeft men er begrip voor.

Ik heb allang geen betaalde baan meer. Ook ben ik geen student meer.  Ik ben dus vrij in de besteding van mijn tijd. In vrijheid kies ik nu voor Aaltje. Dat klinkt misschien overdreven of zelfs weinig overtuigend.  Ik heb immers geen keus?  Toch wel. Althans tot op zekere hoogte.  Voor het schoonhouden van het huis en voor sommige andere werkzaamheden zou ik iemand in dienst kunnen nemen.   Toen mijn opa net zo oud was als ik nu had hij een huishoudster:  ‘tante’  Mathilde.  Met wat creativiteit zou het zeker lukken een Poolse vrouw bereid te vinden de warme maaltijden te bereiden, met Poolse dus exotische recepten.  Of een Thaise?

Aan mijn lijf geen Polonaise  (letterlijk: Poolse).   Ik doe het lekker allemaal zelf, omdat ik het heerlijk vind. Geen vreemd volk over de vloer dat aan mijn spullen zit.