Toen ik gisteren buiten liep realiseerde ik mij dat ik al een hele tijd niet gewoon buiten was geweest. In de weken voor de operatie voelde ik mij ook goed en toen wandelde ik steeds een eindje verder. De operatie was 24 september, daarna kwam ik alleen nog buiten als we naar het ziekenhuis gingen. Buiten-zijn beperkte zich tot  hier van de voordeur naar de auto, en bij het ziekenhuis andersom.

Ooit maakte ik iedere vrijdag lange wandelingen met vriendinnen. Dat gaf soms een intens gevoel van geluk. Ik kan zo terugroepen waar we in een polder een boterham zaten te eten en waar dat geluksgevoel me raakte. Ik weet trouwens ook nog precies wanneer ik wist: dit moet ik niet meer doen.

Ik haal het aan omdat ziek zijn maakt dat ik ogenschijnlijk heel gewone dingen heel erg waardeer. Ik was zó tevreden gisteren over dat piepkleine wandelingetje. Ik verheug me er op om straks weer even naar buiten te gaan. Het gewone is bijzonder nu.