Het loopt tegen het einde van het eerste decennium van het derde millennium na de geboorte van Jezus van Nazareth in Betlehem (nu bezet Palestijns gebied).   Het einde van een tijdvak roept vaak associaties op met het einde der tijden.  Of – dichter bij huis – met ons eigen levenseinde.  In het bijna  afgelopen jaar  was er voor mij geen ontkomen meer aan. Wat al tientallen jaren  sluimert in het bewustzijn komt  als reële mogelijkheid tevoorschijn: vergankelijkheid, eindigheid.   Van mijn eigen leven of dat van Aaltje.  En sinds kort ook van mijn zusje Elly.

Gisteren was Marijke hier met Lode en  Eppe. We keken naar een montage van fimpjes van Lode, gemaakt toen hij nog erg jong was.  Eppe was niet op die fimpjes te zien. Ik heb  toen tegen haar gezegd dat zij nog in de buik van mamma zat. Want om nu al te zeggen dat zij toen nog helemaal niet bestond ging mij te ver. Dat is confronterend, want als je eerst niet bestond, dan weet je ook niet zeker of je wel blijft bestaan.   Ze leeft nu nog in de onschuld van de tijdloosheid, dat hou ik liever nog een tijdje zo.

Daar komt bij dat ik geen sluitend bewijs heb voor de bewering dat zij toen nog niet bestond.  Ik wil wel voor mijn rekening nemen dat Eppe toen nog niet bestond in haar huidige verschijningsvorm.  Als Pim van Lommel gelijk zou hebben dat ons bewustzijn  eindeloos is, waarom zou dat bewustzijn er dan al niet zijn vóórdat wij werden verwekt?   Ook buiten het christendom troosten mensen zich met het verlangen naar een (beter) leven na de dood. Cicero, een Romeinse wijsgeer,  wilde geloven in een leven na de dood. “En als ik mij vergis, dat is dat de meest fantastische vergissing van mijn hele leven.”.

Ik weet het niet, ik wacht af.  Maar ik voel wel wat voor wat Cicero zei.

In het bijna afgelopen jaar ben ik zeventig geworden. Dat wil zeggen dat andere mensen weten dat ik 70 ben, maar mijzelf zegt dat nagenoeg niets.  Dat geldt zéker  voor wat betreft mijn geest.  Ik heb absoluut niet het idee dan mijn oordeelsvermogen aan kracht en betekenis heeft ingeboet.  Ik heb mij dan ook weer beschikbaar gesteld voor een plaats op de kandidatenlijst voor de komende gemeenteraadsverkiezingen. Zeer terecht stelt  onze Kieswet geen maximum aan de leeftijd voor het actieve of passieve kiesrecht.  Politieke partijen hebben dat in het verleden voor hun eigen kandidaten wél gedaan, met als gevolg de oprichting van een Ouderenpartij.

Onderscheid maken tussen mensen naar leeftijd staat mij erg tegen. En niet alleen sinds ikzelf  vijftig-plus ben.  Ik neem een verontrustende ontwikkeling waar: een vervreemding tussen generaties. Een segmentering van de samenleving naar leeftijd. Overheidsbeleid draagt daar aan bij door het voeren van een apart beleid voor jongeren, voor ouderen (voor mensen van ‘middelbare’ leeftijd?)  Twee voorbeelden: in de tijd dat ik betrokken was bij het project ‘activerend huisbezoek’ mochten wij geen mensen bezoeken onder  een bepaalde leeftijd (ik meen 55 jaar).  Ik heb inmidddels een aantal HOVO-cursussen gevolgd, verboden voor mensen van ik meen 54 jaar en jonger.  Terwijl ik door mijn diverse studies (rechten, kunstgeschiedenis en theologie/ethiek)  de onvervangbare waarde heb leren kennen van de (grote) verschillen in leeftijd van mijn mede-studenten.  In Tilburg waren er studenten van begin twintig, maar ook van dik  in de tachtig.  Juist die leeftijdsverschillen en de daarmee verbonden verschillen in levenservaring voegen iets wezenlijks toe, voor jong, middelbaar en oud.

Ik probeer mij zo lang mogelijk te onttrekken aan evenementen en andere bijeenkomsten die speciaal bedoeld zijn voor ouderen.  Niet om mijn leeftijd te ontkennen, maar om mijzelf niet te isoleren van andere generaties en mij niet op te sluiten in het isolement van mijn eigen generatie. (Dat geldt ook voor andere scheidslijnen, m/v, Nederlander/niet-Nederlander. enz. )

Ook fysiek vol ik me geen zeventig.  Er is niets waarvan ik afzie vanwege mijn leeftijd.  Tot grote sportieve prestaties ben ik niet meer in staat. Maar pogingen daartoe heb ik in het verleden ook nooit ondernomen.  Bij mantelzorgen is fysieke inspanning nodig, maar de mate waarin  blijft ver onder mijn fysieke mogelijkheden.  Ik heb dus helemaal geen last van mijn gevorderde leeftijd.  Ik heb  wél de voordelen: ontslagen van de noodzaak mij elke werkdag vroeg naar mijn werk  te begeven.  Terwijl  een redelijk  inkomen tot aan het eind van mijn leven menselijkerwijs gesproken is verzekerd. 

Goed beschouwd heeft het woord  ‘leeftijd’  twee betekenissen.  Het antwoord op de vraag hoe oud je bent is de meest gangbare betekenis.  De kalender dicteert het antwoord, je hebt geen keuze.

Maar leeftijd kan ook worden opgevat als  ‘de tijd dat je leeft’. Dit begrip  verwijst niet zozeer  naar het moment, maar naar de hele periode dat je al leeft. En het roept de vraag op hoelang  je leef-tijd  nog zal duren.  Impliciet hebben wij wel enig idee  van de ideale duur van het leven. Dat wordt niet vaak uitgesproken, want dat kan betekenen ‘de goden verzoeken’.  “Leef-tijd”  lijkt vooral te gaan om de duur van het leven. Maar  leef-tijd heeft ook een andere kant, die zelfs veel belangrijker is. Tegenwoordig noemt men dat ‘kwaliteit van leven’.  Dat begrip is zó belangrijk en ongrijpbaar dat het niet in een definitie is te vangen.  Het gaat meer om het gevoel dan om de ratio.  Voor iedereen  verschillend, maar ook voor iedereen van levensbelang.  Op dit moment is de vraag naar de kwaliteit van leven essentieel voor mijn terminale zusje Elly.

Deze mijmeringen over tijd en leeftijd  kwamen in mij op toen ik terugkeek op het jaar dat bijna achter ons ligt.  Gedachten aan vergankelijkheid  en onzekerheid zullen mij de rest van mijn leven vergezellen.