Er groeien weer tergend langzaam haartjes op mijn hoofd en ik denk dat die zuurstof nodig hebben. Dus om te beginnen ’s nachts de muts af. Gisteren bedacht ik dat mijn pruik heel veel luchtiger is dan de mutsen. De pruik is gemaakt op gaas en je kunt  er doorheen kijken. Pruik tevoorschijn en een dagje pruik op.  “Staat je goed”, zei Herman.

Ik houd niet van de pruik. Ik ben het niet zelf als ik in de spiegel kijk. Als ik een muts op heb, ben ik Aaltje met een muts op. Als ik een pruik op heb ben ik iemand die op mij lijkt maar dan met ander haar. Bovendien ben ik niet tevreden over hoe hij geknipt is, in mijn nek is het haar te lang. Dat haar staat af en toe een beetje naar buiten en dat is precies het lelijke van een pruik, haar vàlt niet het staat. De kapster die de pruik indertijd bijknipte zei dat het niet korter kon. Ik denk dat ik nog maar een poging ga doen om die pruik meer naar mijn zin te krijgen.

Overdag zonder muts of pruik lopen is voorlopig geen optie. Herman vindt het een naar gezicht en verschillende anderen ook. Ik zou mezelf ook nog ‘bloot’ voelen lopen. Er moet toch eerst iets zijn dat door kan gaan voor een gekozen kapsel. Hoe absurd die keus ook zou zijn.