Mijn vader was er een meester in: doen alsof. Dat uitte zich vooral op zakelijk gebied, doen alsof het bedrijf veel groter was dan het was. Ik leerde het spelenderwijs en ik zie nog zijn trotse blik als ik het spelletje meespeelde. Het was niet alleen een spelletje het was een manier van overleven. Mijn beste prestatie lag ongetwijfeld in het contact aan de telefoon. In ons piepkleine kantoortje achter de winkel verbond ik klanten door naar verschillende afdelingen. Afdelingen die mijn vader op een meter afstand van mij voor zijn rekening nam. Voor wie de situatie niet kent; we hadden een vloerenbedrijf  en de klanten werden bezocht. Het werk werd uitgevoerd op hun bedrijf of in hun huis. Weinig klanten kwamen in de winkel, verreweg het meeste contact was telefonisch of schriftelijk en dat gold zeker voor de grotere klanten.

Het doen alsof zat diep, later kreeg ik er last van. Ik wist soms niet meer of ik deed alsof of dat het echt was. Ik had lang het gevoel dat ik helemáál leefde alsof. Zolang ik niet begreep hoe het werkte kon het mij overkomen dat ik deed alsof en schaamde ik mij ervoor. Dat ging gelukkig over.

Toen ik me beroerd voelde en pijn had, nog maar kort geleden, viel er weinig te doen alsof. Nu ik me weer beter voel merk ik dat mijn oude vaardigheid nuttig is. Het helpt me om een omslag te maken. Even doen alsof alles normaal is kan me ook werkelijk in een normaal ritme brengen.

Het belangrijkste woordje in ‘doen alsof ‘ is: ‘doen’. Je kunt je kijk ergens op veranderen van negatief naar positief, maar het werkt pas echt als je het gaat doen. Doen alsof is mijn bruggetje. “Doe maar alsof je het kan”. “Doe maar alsof je zin hebt”. Al doende blijkt of het werkt en meestal werkt het. Wat ik doe blijkt te kunnen en al doende komt de zin erin.

Opvoeding werkt door tot je laatste snik en het mooie is dat wat eerst verwerpelijk leek later juist grote waarde blijkt te hebben. Ik kon mijn vader erom haten en nu is er dankbaarheid.