We kijken allemaal vanuit ons eigen raam naar buiten. Het maakt dat we allemaal iets anders zien. Zelfs als de ramen naast elkaar zitten en we ogenschijnlijk hetzelfde uitzicht hebben.

Ik zie veel zieke mensen om mij heen, ik hoor veel over mensen met kanker. In de tijd dat ik nu ziek ben werden drie mensen in mijn omgeving, kort na de diagnose, opgegeven. Een daarvan is inmiddels al overleden. Ik zie overal aftakeling en gebreken. Langzamerhand ben ik gaan denken dat dát de normale werkelijkheid is. Wij, die de vergankelijkheid bewust en aan den lijve ondervinden, staan in de realiteit. Wie doet alsof gezondheid normaal is, heeft het bij het verkeerde eind, denk ik af en toe.

Het ligt aan het raampje waardoor ik kijk. Ik heb vooral het uitzicht op de afbraak. Ik moet moeite doen om andere dingen te zien vanuit mijn raam. Als ik er een beetje uit ga hangen, om in de beeldspraak te blijven, zie ik ook nog wel wat anders. Ik houd dat alleen niet lang vol.

Wat ik vooral zie, zegt nog niets over de interpretatie van wat ik zie. Ook daar geldt weer dat hetzelfde uitzicht tot een totaal ander oordeel over dat uitzicht kan leiden.

Met de wetenschap dat alles uiteindelijk weer vervalt. Dat het vaak sneller vervalt dan je nu denkt of dan je lief is, kun je ten minste twee dingen doen. Je kunt fatalitisch worden, gaan denken dat het  allemaal toch niets uithaalt, of  juist je aandacht richten op wat er wel is. De schoonheid zien van alles, ook in het verval. Je kunt net zo stellig beweren dat ziekte isoleert als dat ziekte verbindt.

Ik kies in beide gevallen voor de tweede optie. Ik geniet meer van dingen juist òmdat ze vergankelijk zijn en ik sta meer open voor het kwetsbare en toon ook makkelijker mijn eigen kwetsbaarheid.

Ik kijk door een afgetakeld raampje de wereld in, het uitzicht is beperkt,  maar ik vind het glas nog schoon genoeg.