Toen ik tien jaar was had ik ‘roeping’: ik wilde priester worden. Mijn leven lang vertoeven in Gods onmiddellijke nabijheid, opgaan in de verheven en absolute heiligheid van het priesterlijke bestaan, omringd door de krachtige symbolen als wierook, beelden, processies, gregoriaanse gezangen, gewaden en vooral  het Allerheiligste. Slechts op één punt bleef er enige aarzeling: zou ik ooit kunnen preken zoals toen gebruikelijk was: uit het hoofd, vol vervoering?  De goddelijke euforie heeft hoogstens een paar weken geduurd: de aanblik van een eenzame, brevierende kapelaan in de tuin van de pastorie in Doesburg deed mij als bij donderslag beseffen dat ik absoluut ongeschikt zou zijn voor een solitair en celibatair leven. Einde van een gedroomde toekomst als priester.

Sindsdien leid ik een leven waarin ik de aandacht voor ‘het heilige’  en voor mijn,  eufemistisch gezegd,   ‘authentieke menselijke gevoelens’ probeer te verenigen. Dat bevalt me uitstekend.

Hoe zou het mij zijn vergaan als mijn roeping had standgehouden tegen de verleidingen van mijn begeerten?  Een voor de hand liggende vraag, maar onmogelijk te beantwoorden. De actualiteit verleidt mij ertoe te speculeren over de hypothetische vraag hoe het mij als priester zou zijn vergaan:

– zou ik in de beslotenheid van het klein- en grootsemenarie verschoond zijn gebleven van toenaderingen van hen die mij juist zouden hebben moeten opvoeden tot heiligheid en kuisheid?

– zou ik de communie geweigerd (moeten) hebben aan gelovigen die anders geaard zijn dan ik?

– en –  de meest indringende vraag – zou ik zélf alle gevolgen hebben aanvaard van het priesterschap? Zou ikzelf  voldoende weerstand hebben kunnen bieden aan de verleidingen die naar men zegt inherent zijn aan toegewijde pastorale zorg aan met name kwetsbare vrouwen?

Reflecteren   over deze vragen is niet helemaal onzinnig. Wat die vragen bij mij oproepen kán immers bijdragen aan het bepalen van mijn houding ten opzichte van dit soort pijnlijke verwikkelingen. Ook hier weer lijken uitersten elkaar te raken: naarmate de morele eisen aan mensen hoger zijn én de motieven om te leven naar die eisen verhevener (en dus krachtiger) zijn is het risico groter dat men bezwijkt onder de te zware last. Zeker als er maatregelen zijn ter beveiliging tegen alle onrust, die zeer lange tijd doeltreffend zijn gebleken.  Pas nu, vele decennia later, krijgen we enig inzicht in  de aard en de omvang van grove misstanden.

Persoonlijk is mij dat allemaal bespaard gebleven. Met dank aan het besef van de verpletterende eenzaamheid van de brevierende kapelaan in de tuin van de pastorie van Doesburg.