Mijn vader vond een goed verhaal belangrijker dan de waarheid. Ik deed mijn vader graag een plezier, dus als kind paste ik mijn belevenissen vaak een beetje aan. De hond die aanviel was vervaarlijker, het slachtoffer gilde harder en het aantal omstanders dikte ik ook een beetje aan. Niet echt liegen, wel overdrijven. Mijn moeder hield daar niet van. Ik kan de gezichten van mijn beide ouders nog zo voor me halen als ik met een sterk verhaal thuis kwam. Mijn vader trots, mijn moeder bezorgd en afkeurend. Mijn vader won.

Ik ben dat nooit helemaal kwijt geraakt. Een goed verhaal gebeurt zomaar voor je voeten en hoeft alleen nog maar met wat onderstrepingen verteld te worden. Overdrijven hoort daarbij.

Af en toe vraag ik me nu af of ik dat mechanisme niet ook toepas op mijn ziekte. Maak ik het niet groter dan het is? Dik ik mijn kankerverhaal ook een beetje aan? “Dat mocht je willen”, dacht ik vanmorgen. Ik ben bang van niet.

Wat samenkomt is dat ik datgene wat ik beleef ook zonder overdrijven tot een verhaal kan maken. Bedenken hoe ik het op zal schrijven geeft een goede afstand van de ervaring. Het maakt dat ik er makkelijker mee om kan gaan. De gezichten van mijn ouders vallen samen. Het is een trotse, bezorgde blik.