Kleine kinderen hebben nog het benijdenswaardige vermogen om intens te genieten van iets dat niet bestaat. (Min of meer vergelijkbaar dus met de sensatie die bij tijd en wijle is te bespeuren bij grote groepen volwassen mensen als zij kijken naar het door de lucht verplaatsen van een kleine, bolvormige hoeveelheid lucht, omgeven door een bolvormig stuk leer.)

Eppe speelde hier gisteren, met de ernst eigen aan een kind van vier, met een plastic speelgoedserviesje. Onze kleinzoons hebben er ook mee gespeeld, maar dan met water om het gebeuren een zweem van echtheid te geven. Eppe niet. Zij heeft het water niet nodig om de illusie in stand te houden dat zij echt iets drinkt. Althans, dat vermoedde ik, haar nauwkeurig in haar virtuose spel observerend. Op mijn vraag of het lekker smaakte zei ze: nee… het is ‘net alsof’. Ik was sprakeloos: ze weet dus heel goed dat ze ‘niets’ drinkt, terwijl ze dat tegelijkertijd wél met grote overgave doet en daar ook nog intens van geniet!

Opnieuw leert een van mijn kleinkinderen mij een wijze levensles: “Doe met overgave ‘net alsof’ en geniet daar volop van.

Bij voorbeeld: doe net alsof we samen alle tijd van de wereld hebben, nog een vrijwel oneindige tijd van leven. En geniet daarvan, vol overgave.