Het is fijn dat ik weer trap kan lopen. Iedere dag dat de benauwdheid uitblijft is meegenomen en geeft hoop op succes van het plakken van de vliezen. Ook hiermee moet ik de situatie per dag waarderen. Mijn borstkas blijft pijnlijk maar ik ben niet zo kortademig.

De trap verbindt boven met beneden, om maar eens een open deur in te trappen. Van die doodgewone gegevens ben ik me nu erg bewust. De beide delen van het huis hebben voor mij een andere gebruikswaarde en ik beschik graag zo lang mogelijk over het hele huis.

Boven is het rustig, de vloerbedekking is zacht. Onze slaapkamer is ruim en heeft zicht op de grote rode beuk van de buren. De badkamer is precies zo ingedeeld als wij het prettig vinden, met voor mij een krukje om onder de douche te zitten. In de achterkamer staat de computer waar ik ’s morgens, meestal nog in pyjama, mijn stukjes schrijf.
Eigenlijk zou ik mijn leven grotendeels boven door kunnen brengen. Er moet dan wel voor me gezorgd worden wat eten en drinken betreft. Boven voelt het veilig.

Beneden kan ik in de keuken nog zelf scharrelen, zit ik graag in de serre en beneden is meer ruimte om bezoek te ontvangen. Bovendien is er de verbinding met de tuin. Ook beneden kan ik mijn stukjes schrijven en heb ik nog een computer staan voor foto- en videobewerking. Beneden is het onrustiger.
Zolang ik trap kan lopen, kan ik me boven terugtrekken als het me beneden te druk wordt. Ik doe dat ook, wie er ook is.

Als het zover komt dat ik meer lichamelijke verzorging nodig heb, dan moet er een ‘hoog-laag-bed’ komen en daar is boven geen plaats voor. We houden er al langer rekening mee dat zo’n bed in de serre zal komen te staan.
Ik weet niet wat ik erger vind: niet meer naar boven kunnen of niet meer naar beneden kunnen.
Ik moet ophouden, ik loop vooruit. Vaak loopt alles toch anders dan ik me had voorgesteld.