Nu we compleet zijn blijkt nog meer hoe geschikt de plek is. De kinderen zwermen om het huis en strijken af en toe neer bij de volwassenen. De grote jongens vervullen een tussenrol. Ze nemen deel aan de gesprekken, spelen guitaar, spreiden hun kennis ten toon en springen even later met de kleintjes op de trampoline.

Als ik me goed voel neem ik deel en anders trek ik me terug. Gisteren mee geweest naar het dorp en naar de biologisch-dynamische boerderij een eindje verderop. De rolstoel is prettig.

Vooruit rusten gaat niet. Op momenten dat ik het niet wil, is ineens de energie op en moet ik naar bed. Gisteren was dat kort voor het eten. Ik was niet alleen moe maar had ook pijn en voelde me verder ook beroerd. Dat maakte verdrietig. Erbij zijn en niet deel kunnen nemen. Ik realiseerde me ook dat een groot deel van mijn plezier vroeger ook zat in het mee-organiseren. Een keertje koken, mij bemoeien met het programma. Eigenlijk me overal mee bemoeien. Nu is er de afstand. Iedereen is hartstikke lief, ik word goed verzorgd maar ik hoef ook niks. Het voelen van die afstand maakt verdrietig. Tegelijk is het een natuurlijk en goed proces. Het is precies waar het om draait, ik kom losser te staan van het hele gebeuren, van het leven zelf.

’s Avonds waren ze allemaal nog even gaan zwemmen, alleen Mark was thuis gebleven. Bij de ondergaande zon mijn emotie gedeeld. Wát een plek, wat een mooie momenten, hoe verdrietig ook. Toen de anderen terug kwamen, heb ik toch ook nog een tijd buiten gezeten. Volop grapjes, sterke verhalen en op de achtergrond het voetballen.

Eigenlijk is de situatie optimaal. Iedereen geniet van alles wat er is en tegelijk zijn we ons ervan bewust dat het waarschijnlijk de laatste keer is dat we zoiets in deze samenstelling meemaken. We weten het en toch krijgt het geen zware lading.

Wat heb ik toch een prachtig stel mensen om me heen.