Op wonderlijke wijze vallen twee dingen samen, wat ook weer niet helemáál toevallig is. Vorige week overleed mijn neef Piet, die zichzelf inmiddels Pieter noemde. Piet was negen jaar ouder dan ik en speelde een belangrijke rol in mijn leven als tiener. Al voordat mijn moeder stierf kwam hij regelmatig bij ons en daarna nog veel meer. Hij en mijn vader konden het goed met elkaar vinden en Piet is op een gegeven moment zelfs bij ons in de zaak komen werken. Toen mijn vader, via een contactburo, op zoek ging naar een tweede vrouw, werden Piet en ik daarbij betrokken. Dat leverde heel plezierige avonden op waarin brieven van kandidates gesorteerd werden op: goed, fout en zou kunnen. Toen het serieuzer werd sloot mijn vader ons buiten, terecht natuurlijk.

Ik was dol op Piet en ik ben bang dat dat tamelijk eenzijdig was. Voor hem was ik het kleine nichtje dat bij de oom hoorde op wie hij erg gesteld was. Later, toen we allebei getrouwd waren en ver uit elkaar woonden, verwaterde de band. Een paar maanden geleden heb ik hem nog opgezocht toen hij in een hospice was opgenomen.

Het wonderlijke samenvallen zit erin dat ik nu bezig ben met de dagboeken uit die tijd. De adoratie voor mijn grote neef neemt een flinke plaats in rond mijn vijftiende-zestiende jaar. Het zijn typische puberverlangens die uit dat dagboek piepen: verliefd op de liefde en daar een man bij zoeken. Ik kende niet veel leeftijdgenoten en al helemaal weinig mannen. Piet sprong er dus in een aantal opzichten bovenuit.

Vanmiddag wordt Piet gecremeerd. Ik wil daar zeker naartoe. Omwille van de dierbare herinneringen, maar ook omdat het de gelegenheid biedt de familie van mijn vaders kant nog eens te ontmoeten. De crematie is in Amsterdam, er zullen vast ook invalideparkeerplekken zijn en ik ben zeker van een zitplaats met mijn rolstoel.
Verleden en heden komen vandaag weer samen en met de dagboeken ben ik nu wel klaar.