De argeloosheid bij het ademhalen is weg. Ik vraag me steeds af of ik het wel goed doe en dus doe ik het niet goed. Het gaat nog het beste als ik ergens intensief mee bezig ben of als ik zit te praten. Ik kan benauwdheid wel voorkomen door af en toe goed uit te blazen. Het zal wel weer anders worden. Als ik paniek voel opkomen heb ik oxazepan achter de hand, dat moet het gevoel temperen. Ik neem die alleen als het aan de orde is, want het aantal doosjes met een geel stickertje erop is nu wel erg groot in mijn medicijnmandje. Kennelijk wen ik overal wel weer aan, anders was het met mijn reactievermogen somber gesteld.

Ik probeer het trouwens niet uit, autorijden en fietsen doe ik niet meer. Ik ga zelfs niet alleen de straat op. De tuin hoort bij thuis, die is veilig. Gisteren wat plantjes bijgeplant in de bakken. Direct in de grond had ik aan Herman over moeten laten. Met goed weer is het heerlijk om met een snoeischaartje door de tuin te lopen; kleine bloemetjes plukken voor op tafel en hier en daar een takje wegknippen dat niet groeit zoals ik het wil.

Gisteren in de namiddag met bezoek in de tuin gezeten, eerst met Cokky, later nog even met Hennie. Wat hebben we toch een heerlijke plek.