Ik was er steeds vanuit gegaan dat als ik niet meer zou kunnen traplopen, ik zover achteruit zou zijn gegaan dan ik beneden ook niet zoveel meer te zoeken had. Foute aanname. Ik heb nu problemen met traplopen, maar ik ben ook nog wel graag beneden. Lekker even de tuin in lopen, met bloemetjes buiten en binnen in de weer of meehelpen koken. Met bezoek zit ik liever op de bank dan dat ik in bed lig.

Het probleem met de trap is misschien meer de angst voor benauwdheid dan dat er daadwerkelijk iets mis gaat. Ik loop héél rustig, tree voor tree, de trap op en blijf telkens staan om letterlijk uit te blazen. Maar toch….het voelt niet goed. Rusten gaat niet goed omdat ik eerst een poos aan het worstelen ben om mijn ademhaling te ordenen na het traplopen.

Wat ik maandag met de huisarts wil bespreken is of er niet alvast een hoog-laagbed gebracht kan worden. Als zo’n bed beneden in de serre staat dan hoef ik nog maar één keer per dag op en neer. Dan kan ik boven blijven tot ik gewassen ben en ‘aangekleed’ en kan ik ’s avonds weer naar boven als ik ga slapen.

De argumenten dat ik mij, als het me beneden te druk wordt, terug kan trekken, moet ik bijschaven. De schuifdeuren kunnen altijd nog dicht.
Als ik hulpbehoevender word kan dat bed altijd nog naar boven. Als ik het bed vrijwel niet meer uit kan, ben ik liever boven, denk ik nu.

Ik realiseer me dat ik een voorstelling maak van hoe het verder gaat, in grote fasen. Zo gaat het niet, het gaat héél langzaam, met kleine schuifelpasjes.
Ik wil zeker niet te vroeg dingen opgeven die nu nog leuk zijn en al helemaal niet als er een oplossing voor te vinden is.

Vandaag nog maar even over nadenken en over praten, des te duidelijker kan ik mijn verzoek inkleden bij de huisarts. Ik verwacht overigens geen bezwaar, dat bed moet er toch een keer komen.