Midden in de nacht is niet echt ontwaken, ik slik een pil,  ga even naar de wc en probeer me zo slapend mogelijk te houden. Mede dankzij die pillen lukt dat dan ook wel. Maar dat houdt op, zo tussen vijf en zes ontwaak ik toch echt. Over het algemeen heb ik wel gezellig gedroomd, hoewel ik zelden nog weet wat. Het eerst wat doordringt zijn de pijnplekken, tegenwoordig vaak mijn hielen, terwijl die toch goed verpakt zitten in lekker dikke sokken. Het rommelt in mijn buik maar dat beschouw ik maar als een goed teken, hoewel het niet prettig voelt. De overal-pijn is er gewoon en dragelijk.

Nadat ik het lijf langs gelopen heb op eventueel ongewone, nieuwe pijnen, dringt meestal tot me door dat ik ziek ben. Niet als een klap, nee, iedere morgen sijpelt het er opnieuw in dat ik heel erg ziek ben en dat ik niet meer beter word.

Heel even is er een tweesprong: aan de ene kant het klaagpad van wat allemaal niet meer kan en hoe kort het nog maar zal zijn, en aan de andere kant het open pad van vandaag, van nu.

Ik kies vrijwel altijd het laatste pad, de volgende stap. Even wat drinken, een begin maken met de ochtendmedicijnen, een stukje schrijven, om mijn eerste toastjes vragen als Herman al wakker is. Het pad van het leven. Het is namelijk nog steeds volop leven wat ik doe, al is het anders dan eerst.