De zondag is een goede dag voor het tellen van zegeningen. Ik bedacht dat toen ik vanmorgen wakker werd, nadat ik goed geslapen had. Goed slapen is een zegen. Dat goede slapen is mede te danken aan paracetamol. Laat ik de paracetamol ook maar onder de zegeningen tellen. Ik ben heel blij dat ik langdurig een vrij onschuldige pijnstiller kan slikken, eentje zonder bijwerkingen voor mij. Met die wrattenhiel valt het ook wel mee, het voelt licht geïrriteerd maar niet meer dan dat. Een zegen dat er iemand voor mij is die al bij de tweede keer voetverzorging een zekere routine toont.

De gewone dagelijkse dingen zoals boodschappen doen en eten klaar maken. De vanzelfsprekendheid van de dagelijkse handelingen, ik ervaar het als een zegen die geteld moet worden.

Het woordenboek zegt bij: ‘zegeningen tellen’: zich gelukkig prijzen.

Ik houd het bij mijn directe ervaringen. Ik ga me niet gelukkig prijzen omdat ik het in allerlei opzichten beter heb dan heel veel anderen. Dat is geen zegen, dat is stom toeval en eerder een verantwoordelijkheid dan geluk. Zegen zit in het òpmerken van geluk. De sneeuwklokjes in de tuin van de buren zijn pas een zegen als ik ze opmerk.

Ik prijs mij gelukkig dat ik geluk kan ervaren in de gewone dingen, daar komt het eigenlijk op neer. Inmiddels wordt mijn zondagse overweging uitgeluid door de beierende klokken van de nabijgelegen kerk. Ook een zegen dat ik kan genieten van het gebeier zonder dat zij mij tot haast en kerkbezoek aansporen.